Op 1 januari 1977 koopt de stad Amsterdam voor zes miljoen gulden theater Carré`. Vijftien jaar later
pompte de stad zo'n slordige 20 miljoen gulden in het pand waardoor het circus (dat het tot dan toe
altijd was geweest) een
ware metamorfose onderging tot groot theater met circusaccommodatie. Er kwam een toneelhuis, moderne
kleedkamers, kantoren en stallen.
Het belangrijkste, het toneel, werd ook onder handen genomen. Het publiek kon nu ook van de meest
onmogelijke hoeken alles op het toneel zien.
Wat vooraf ging
In 1887 opent Oscar Carré zijn circustheater. Omdat er niet altijd circus kon worden vertoond
werd het theater ook gebruikt als variétetheater. Toen Oscar Carré in 1911 overleed brak er
een wat minder succesvolle periode aan, het theater werd verkocht maar de nieuwe eigenaren konden het tij
niet keren. Faillisement dreigde maar Alex Wunnink van het Paleis van Volksvlijt
(link) redde het theater.
Tot aan de Tweede Wereldoorlog breidde het programma zich in de breedte. Opera, operette,
varieté, internationale zangers en zangeressen maar ook orkesten wisten het publiek
in grote getalen te boeien.
Na de oorlog bleef het succes aanhouden, onder leiding van de zoon van Alex Wunnink, Karel, deed
een nieuw fenomeen zijn intrede. Musicals en one-man-shows beleefden met groot succes
hun premières in Carré.
Toon Hermans en André van Duin
Toon gaf in 1963 zijn eerste one-man-show, uniek in de geschiedenis van het varieté. Publiek
en pers waren direct enthousiast. Deze succesformule zou later door onder andere Seth Gaaikema, Herman
van Veen, Paul van Vliet, Herman Finkers, Freek de Jonge en Youp van ‘t Hek in Carré
gekopieerd worden.
André van Duin behaalde in Carré grote succesen met zijn revuespektakels.
In 1987 mag Theater Carré zich 'Koninklijk' noemen.
Het theater heeft een zeer brede programmering en kent geen sluiting, het is het gehele jaar
geopend.
Omdat mannen en vrouwen naast elkaar zaten liepen de mannen in een jurk en trokken de vrouwen de
broek van de mannen aan. Als het eten op was werd alles wat over was in het vuur gegooid zodat er een
lekker groot straatvuur ontstond.
Dit feest sloeg over naar de Jordaan. Vanaf Haarlem werden er namelijk ook afgeschoten herten aangevoerd,
via de Haarlemmerweg en de Haarlemmerpoort. De Duitsers verboden tijdens de oorlog de 'hertjesdagen'
die door de jaren heen verbasterd waren tot hartjesdagen.