Cursus AmsterdamsPopulariteitspoll Amsterdam

Amsterdamse woorden, of is het: Nederlandse woorden die veramsterdamst zijn. Nee, het zijn woorden die veelal uit andere talen komen en door de jaren heen zijn verbasterd. In Amsterdam wordt net als in de rest van Nederland gewoon Nederlands gesproken maar net als in de achterhoek, Den Haag of Limburg zijn er veel accenten. Er wonen meer dan 170 nationaliteiten in de stad waardoor er ook veel tongvallen zijn.

Het 'plat Amsterdams' is echter altijd gebleven terwijl deze volkstaal toch niet is aan te leren omdat je het van huis uit mee moet hebben gekregen. Er wordt dan ook vaak gezegd dat het echte Amsterdams alleen gesproken wordt door Amsterdammers die in Amsterdam geboren en getogen zijn. In plaatsen als Purmerend, Almere en Hoorn wordt er ook veel Amsterdams gesproken omdat dertig jaar geleden veel Amsterdammers een tuintje en een groter huis wilden.
Binnen de stadsgrenzen kon dat niet omdat de huizen wel duurder werden maar uiteraard niet groter.

Het 'Amsterdams' wordt door velen niet als ordinair maar juist als grappig gezien en iedereen kan het verstaan omdat er op televisie veel Amsterdams dialect is te horen.

Oorsprong Amsterdams

Het Amsterdams ontleend veel woorden en uitdrukkingen aan de Joodse taal maar zijn vaak dermate ingeburgerd in de Nederlandse taal dat niemand nog door heeft dat het soms om een typisch Amsterdams woord gaat.
Goede voorbeelden hiervan zijn 'afpeigeren', 'leut' en 'smoes'.

Maar ook door zigeuners is de Amsterdamse taal verrijkt. De Fransen die de Jordaan 'stichtten' fleurden het Amsterdams op maar ook zijn er woorden uit Indië overgenomen.

Lekker, het meest gebruikte woord, maar niet typisch Amsterdams
Ooit las ik een aaridg stukje van een Duiste in Het Parool die stelde dat het woord 'lekker' het meest gebruikt wordt, ik deed een proef op de som en inderdaad, het lijkt waar te zijn:
Hoe gaat het? LEKKER!
Hoe was het weer daar? LEKKER! Hoe is het met je moeder? LEKKER!
Hoe was de vakantie? LEKKER!
Hoe smaakt het? LEKKER!

Een goed overzicht van nog gangbare woorden tref je hieronder aan. De lijst zou tweemaal zo lang kunnen zijn maar dan moeten we minstens 150 jaar terug in de tijd. Woorden die nauwelijks nog gebruikt worden heb ik daarom weggelaten. Tweede criterium is dat een woord minstens eenmaal ergens te vinden is op het web via Google.

Als je een woord mist dan houd ik me warm aanbevolen. Ook als een woord 'echt en absoluut' geen woord is dat in Amsterdam zijn oorsprong vindt of gebruikt wordt hoor ik het graag. Mail dan naar amsterdams@mokums.nl

5 maal 8: politie (doelend op het telefoonnummer in vroeger dagen)
6 maal 2: politie (doelend op het telefoonnummer in later dagen)
6 maal 7: taxi (vroeger van de TCA centrale)
7 maal 7: taxi (nu van de TCA centrale)

=== A ===
Aalmoes 01: karige bijdrage (negatief bedoeld)
Aalmoes 02: liefdadigheid (positief bedoeld)
Aap 01: aan de beurt zijn (hij is het 'apie')
Aap 02: gefopt (in de aap gelogeerd)
Abraham: man die 50 wordt
Achterwiel: een rijksdaalder (2,50)
Afdingen: proberen wat van de prijs af te krijgen (zelfde als pingelen, afpingelen)
Afkomen: betalen, leveren
Afmaken: na hevige voorseks de klus klaren ('zakelijke' seks, geen liefde)
Afnokken: weggaan, niet hetzelfde als nokken
Afpeigeren: uitputten, iemand afbeulen
Afpingelen: afdingen, iets van de prijs afhalen
Afstruinen: koopjesjacht of lang doorzoeken naar iets (zelfde als struinen)
Aftroggelen: op slinkse wijze iets van iemand afnemen
Aftaaien: weggaan, naar huis gaan
Afzakken: langzaamaan naar huis gaan
Afzakkertje: laatste borreltje voor het slapen of naar huis gaan
Afzeiken: iemand voor schut zetten, afbranden
Aggenebbis (aggenebbish, achenebbisj): waardeloos, slechte kwaliteit
Akkefietje: klein conflict, probleempje
Allergaartje: van alles wat
Ammehoela: je kan de pot op, 'dat gebeurt niet'
Amsterdam en omstreken: Amsterdam en de rest van Nederland
Amsterdammertje 01: paaltjes in Amsterdam (die aan het verdwijnen zijn)
Amsterdammertje 02: laatste beetje in een fles (gratis halve borrel)
Amsterdammertje 03: vaasje bier zonder goud randje, anders is het een Rotterdammertje
Armetierig 01: armoedig, beroerd (van dingen)
Armetierig 02: zielig, sjofel, armelijk (van mensen)
Asjeweine 01: kapot
Asjeweine 02: weg
Asjeweine 03: dood
Attenoje, attelenoje: mijn god!, krijg nou wat! (uitspreken als vorm van verbazing)

=== B ===
Badmuts: kale man
Bagger, bagges: waardeloos, 'zwaar kut'
Bajes 01: gevangenis
Bajes 02: huis
Bak 01: gevangenis (in de bak zitten)
Bak 02: werk (aan de bak komen)
Bak 03: auto ('mooie bak heb jij gekocht, buurman')
Bak 04: grap ('wat een bak')
Bakkes: gezicht, mond
Bakkie doen: koffie drinken
Bakkie leut: kopje koffie
Bakkie pleur: kopje koffie
Bakkie troost: kopje koffie
Bakkie teer: kopje koffie (bedankt Simon)
Ballen: geld (ik heb er 100 ballen voor over)
Bankie: 100 gulden/ euro (dank Jan)
Bargoens 01: boeventaal, dieventaal
Bargoens 02: geheimtaal (van zigeuners en daklozen)
Barrel 01: gammel voertuig
Barrel 02: oud mens
Beppen (ouwebeppen): kletsen (net als ouwenelen)
Befgajes: rechters en advocaten
Beissie: tient cent, dubbeltje (dank Jacques)
Bekaaid: magertjes ergens van af komen, slecht bedeeld
Bekakt: verwaand, 'met de neus in de lucht'
Belazerd: opgelicht, afgezet
Benenwagen: lopen
Bep: 'zo'n' type uit de Jordaan
Berlijn-express: de tram naar de Beethovenstraat (Amsterdam Zuid)
Bes: oude vrouw ('ouwe bes' werd wel eens sarrend gezegd om extra te benadrukken dat iemand oud was)
Besmetbak: iemand die allerlei ziektes onder de leden heeft, wordt ook als scheldwoord gebruikt
Besodemieteren: bedonderen
Bierkaai: onbegonnen werk
Bietsen: bedelen, op andermans zak teren
Bijgoochem: bijdehand
Bijbeunen: zwart baantje naast een uitkering of andere inkomsten
Bikkel: harde jongen (meestal vanwege het werk)
Bikken: eten (dank Hans)
Bikker: souteneur
Bled: plank (markttaal)
Blikhoed (oud Amsterdams): politieagent
Blinde maupie niet zijn: ik geloof het pas als ik het zie
Blut: geld is op, failliet
Boeren: alles van buiten Amsterdam
Boezelaar: schort (dank Jo)
Bolleboos: ergens heel erg goed in zijn, knappe kop
Bombarie: veel drukte om iets maken, 'daar heb je Arie Bombarie'
Bonje: ruzie
Bordeelsluipers: schoenen met een zachte (suède) bovenlaag en een spekzool, je hoort de drager niet aankomen
Branie (-maker, -schopper): druktemaker, opschepper, bluffer
Briefie: papiergeld
Broge (broche): zegen

=== C ===
Canaille: klootjesvolk, gepeupel

=== D ===
Daalder: 1 gulden vijftig
Dat zit wel snor: het zit wel goed
Dekken: op wacht (de uitkijk) staan bij een onguur zaakje
Dibbes: man, 'he, ouwe dibbes'
Dikke mik: uitstekend, het is goed zo
Dikke tampeloeris ken je krijge: ik denk er niet over!
Doerak: belhamel, straatschoffie
Dokken: betalen (vaak tegen je zin)
Dolletje: geintje uithalen
Dood of de gladiolen: alles of niets
Dooddoener: opmerking die kant noch wal raakt, je kunt er niks mee
Dooie (ook dooie diender, dank Hans): saai figuur, 'heeft niets te melden'
Doorslag: mazzeltje, geluk hebben
Douw: veroordeeld tot een straf
Drijfsijssie: eend
Drukken: er tussenuit knijpen
Duiten: geld (VOC tijd)
Duppie: tien cent, een dubbeltje (dank Hans)
Dweil; vrouw die met iedere man naar bed gaat maar geen hoer, die vraagt er geld voor (dank Peter)

===E ===
Eendenbier: gracht (-enwater)
Eisjedies: vreemd gaan ('met de vrouw van een ander', dank Jacques)
Emmeren: doorzeuren
Etterlijer: als je echt een hekel aan iemand hebt omdat hij zuigt
Euri: euro

=== F ===
Feteren: onthalen, trakteren
Fiets: twee rijksdaalders
Fikken 01: vingers
Fikken 02: branden
Fiksen: regelen of maken
Flikflooien: iets verdergaan dan flirten (komt geen echte seks aan te pas)
Flikken: iets geniepigs uithalen
Fling: tussen een flirt en een relatie in
Flamoes, flamous: vrouwelijk geslachtsorgaan
Flappentapper: geldautomaat (voor de eerste van Nederland in Amsterdam er hing was de bijnaam er al)
Foefie: geintje
Fok: bril
Fokken: opnaaien, naar doen

=== G ===
Gabber: vriend
Gajes 01: gepeupel, minder volk
Gajes 02: niet-joden
Gallemieze: platzak, armlastig maar wordt ook wel eens als 'stuk' gebruikt (naar de klote)
Gallish (gallisch) van worden: onpasselijk worden
Gammel: oud
Gannef (gannew, gannif, ganf): boef, dief (bedankt Jacques)
Gappen 01: stelen
Gappen 02: pakken
Gappie: vriend
Gebbetje: grapje
Gedeisd houden: schuil houden, niet opvallen
Geeltje: 25 gulden
Geep, gepenkop: zacht scheldwoord dat hard aankomt, net als pannenkoek
Gehaktbal: net als pannenkoek, een weinig vleidende term voor iemand die je een beetje een sukkel vindt
Gein (dus niet 'gijn' zie aldaar): leuk, charme (dus niet; grappig)
Geinig: charmant, leuk
Geintje: grapje (eigenlijk dus; leuk)
Geinponem: grappenmaker (eigenlijk dus een leuk persoon)
Geiten (maar ook 'gijten'): meisjesachtig giechelen (dank Hein, Babs, Barrie en Peter)
Gekke Gerrit: ik ben niet helemaal achterlijk ('ik ben gekke gerrit niet'), extra aanzet dat je niet onnozel bent
Geniepig: achterbaks, 'sneaky'
Gesjeesd: gek, doorgedraaid
Gesjochten 01: verloren, naar de bliksem
Gesjochten 02: ben je gek geworden, de weg kwijt
Geteisem: minderwaardig volk, tuig
Getild worden: afgezet worden
Gijn (dus niet 'gein', zie aldaar): takel
Gladjanus: kan hem niet inschatten, huichelaar, gluiperd
Gleuvenrijder: trambestuurder
Gogme, gochme: intellect, slimme wijsheid, weten waar je moet gaan, zijn
Gok 01: neus
Gok 02: raadsel, 'het is een gok'
Gok 03: lach (hebreeuws)
Goochem: wijs, bijdehand (in positieve zin)
Gotspe: brutaal, tegen de draad in, staat er haaks op
Gozer: man (eigenlijk bruidegom)
Graftak: bejaarde
Grammofoonplaat: biseksueel (van twee kanten bespeelbaar)
Gratenpakhuis: vel over been, mager
Gribus, griebus 01: achterbuurt
Gribus, griebus 02: eng persoon
Griet: meid, jonge vrouw
Grijpstuiver: schamele beloning voor een klusje
Grijze muis: saaie vent, valt niet op
Guttegut: ach

=== H ===
Haar op de dijk: vrouwen in aantocht
Haar in de zaak: vrouw in de winkel
Haarlemmerdijkie: flauwekul verkopen, in de maling nemen
Habbekrats: koopje, bijna voor niets
Hachelen: eten ('niet te hachelen', dank Marco)
Hades: onderwereld
Halve zool: gek, niet goed wijs
Handgeld: aanbetaling, blijk van goed vertrouwen
Happertje: drinkfontijn op straat en met name in parken (dank Ton)
Hartjesdag: eerste maandag na Hemelvaart (15 augustus, katholieke dag)
Hasjewijne: verdwenen, kwijt
Hassebassie: borreltje (jenever)
Harses, hasses: hoofd, maar ook hersens
Heibel: onrust stoken, ruzie
Heis: klap
Heisa: toestand, ophef
Heitje: kwartje, 25 cent
Hens 01: iedereen die kan moet er zijn (alle hens aan dek)
Hens 02: brand (het huis staat in de hens)
Het hoekie om: dood
Heug: vrolijkheid (tegen heug en meug)
Hotemetoot: persoon met aanzien, bobo
Hout: niets (ik snap er geen...van, ook 'jota')
Houtje (van het...): katholiek zijn (dank Kees)
Huissiesmelker: huisbaas

=== I ===
Ibbel (iebel): ergens compleet gek van worden
Ietsie pietsie: een klein beetje, heel klein
Ijlie: drukte om niets, 'maak niet zo'n ijlie'
In de feiling (veiling) nemen: in de maling nemen, voor de gek houden
In de lorum zijn: dronken
In de smiezen houden: in de gaten houden
In de zeik genomen: voor de gek gehouden
In elkaar trimmen (ook wel tremmen): pak slaag geven
Ipod (spreek uit: aaipot): knuffellesbiënne (dank Barrie en Baps)

=== J ===
Jaap: snee veroorzaakt door iets scherps
Jajem: jenever
Jan met de pet: de gemiddelde arbeider
Jantjes: zeelui, matrozen
Jatmous, jatmoos: eerste geld van de dag, wordt meestal op gespuugd voor de mazzel
Jatschore: gestolen spullen
Jatten 01: aanwijsstokjes (uit het Joods)
Jatten 02: stelen
Jatten 03: handen, vingers
Jatteneur: dief
Jennen: opnaaien, sarren
Jid: jood
Joetje, joedje: 10 gulden, 10 euro
Jofel: tof, goed, fijn
Jood 01: bril
Jood 02 (met een kleine letter 'j'): joods gelovige
Jood 03 (met een hoofdletter 'J'): Israëliet, lid van het Joodse volk
Jood 04: 'joden', geuzennaam voor harde kern aanhangers van Ajax
Jood 05: jodium
Jota: geen bal ergens van snappen (ook 'hout')
Jottum, jottem: tof, fantastisch
Jouker: te gek (negatief bedoeld zoals te duur of absurd)
Juut: politieagent (hoewel meer gebruikt in Rotterdam

=== K ===
Kachel: stomdronken
Kaduuk: stuk
Kale neet: jup
Kale knetter: kale kop (dank Hans)
Kalle, kalletje: opdringerig meisje, kan ook 'hoer' betekenen (bedankt Jacques)
Kanen: eten
Kanus, kanes, kanis: gezicht
Kapoerewiet: stuk (dank Hans)
Kappen: ophouden (dank Arnout)
Kapsies, kapsones: het hoog in de bol hebben maar ook: poeha, ophef veroorzaken
Kapsoneslijer: iemand met kapsones, kapsies
Kasie: het is goed zo, prima
Kassiewijle, kassiewijne: dood
Kassie zes gooien: spel met dobbelstenen
Kast: gevangenis
Kat 01: sneer, vervelende opmerking naar iemand maken
Kat 02: buit
Kat in 't bakkie: het is voor elkaar, dat is zo gedaan, een zekerheidje
Katten, afkatten: vervelende opmerkingen over iemand maken
Katvanger: vangt de straf op als een misdaad verkeerd afloopt
Keelscheet: een boer (laten, bedankt Ger))
Kegel: de lucht van drank ('hij heeft een kegel')
Keilen: drinken
Kezen: geslachtsgemeenschap
Kierewiet: gek, geschift, doorgedraaid
Kift: jaloers (zij heeft de kift erin)
Kinnesinne: afgunstig, jaloers
Kip: politieagent
Kippetje: leuk uitziend meisje ('lekker grietje')
Kit: de politie
Kits: goed, gezond
Klaploper: gierigaard
Klapper 01: doorslag, zakelijk een hele goede slag gemaakt
Klapper 02: bergplaats of verstopplaats van boeven
Klatsen 01: sjoemelen met de kwaliteit
Klatsen 02: rommelen met de waarheid
Klauwen 01: stelen
Klauwen 02: handen, 'laat het niet uit je klauwen vallen'
Klep houwe: hou je mond
Klerelijer: iemand iets naars heeft gedaan en die je vervolgens een ernstige ziekte toewenst (dank Peter)
Kletsmeier: veel onzin uitkramen, praatjesmaker
Kliekie: opgewarmde prak van de vorige dag
Kloffie: kleding
Klok en hamerspel: mannelijk geslachtsorgaan
Kluif 01: stuk vlees met bot eraan
Kluif 02: veel werk, 'hij heeft er een hele kluif aan'
Kluif 03: hand (komt van klauw maar wordt niet veel gebruikt)
Kluit 04: buit
Kluit: algemeen woord voor een grote groep mensen, 'de kluit belazeren'
Kluiten 01: geld
Kluiten 02: onbeheersbaar geworden, boven het hoofd gegroeid
Knaak: rijksdaalder, twee gulden vijftig
Knijpen: angstig zijn
Knurft: onbehouwen vent
Koffer: bed
Kolerelijer: iemand die iets naars heeft gedaan en die je vervolgens een ernstige ziekte toewenst (dank Peter)
Kommaneuker: boekhouder
Konkelen: samenzweren, smoezen, roddelen, beetje achterbaks dus
Kontboer: scheet (bedankt Ger)
Kopstoot: pilsje met een jonge borrel ernaast
Kosjer, koosjer, kosher 01: het is goed
Kosjer, koosjer, kosher 02: rein
Koud bloed: schoonfamilie
Kouwe aap (koud apie): borreltje met ijs
Kouwe kak: duur (poenig) doen
Krankjorum: gek, geschift, doorgedraaid
Krent, krentenkakker: gierigaard
Kroelen: beetje vrijen (zonder seks te hebben), dicht tegen elkaar kruipen
Kruimelaar: zeer kleine crimineel die denkt dat hij heel wat is
Kuierlatten: benen
Kwasie: zogenaamd, het zal wel

Kwat: spuug, roggel
Kwats (kwatsj, zie ook quatsch): onzin (komt van Antwerpse zeelui)
Kwievieven: hoede (op je ...zijn, maar ook quivive)

=== L ===
Labbekak: bangerd, sul, iemand die iets op een slappe manier tot een eind brengt
Ladderzat: compleet dronken
Lammetje: dubbeltje, tien cent (nieuwmarkt- tot waterloopleinbuurt, dank Els)
Lappen: gezamelijk betalen (kan soms tegen je zin zijn)
Lapswans, lapzwans: nietsnut
Lazarus, lazerus: dronken
Lechajiem, lechajim: op het leven, op je gezondheid, proost!
Leep: bijdehand, slim
Lefgozer: durfal
Leplazerus: krachtterm, meestal als je schrikt
Leut 01: koffie
Leut 02: lol, gein
Leuter: mannelijk geslachtsdeel
Lijp, leip: gek
Liflaffie: opgewarmde prak van de vorige dag
Lik: gevangenis
Linkmiechel, linkmiegel: achter de ellenbogen, uitgekookt, gluiperd
Loenen: verraden, met de politie praten
Lollepot: lesbienne
Lommerd: stadsbank om spullen te belenen
Lood: kogel
Looieg: zwaar
Loop naar de pomp: rot op
Los laten: uit de gevangenis komen
Los maken: laatste artikel (ver) kopen
Lozen 01: spullen dumpen, eventueel tegen een zeer laag bedrag
Lozen 02: iets weg doen, bewijsmateriaal vernietigen
Lozen 03: 'loos hem even' (als je geen zin meer in iemand hebt een smoes verzinnen om van hem af te komen)
Lou loene 01: doen alsof je van niets weet, of het je niet kan schelen
Lou loene 02: het heeft niets opgeleverd
Luchie: ik vertrouw het niet
Luikies: ogen
Luilebol: verwenzing, beetje als pannenkoek
Luizebos 01: viezerik

Luizebos 02: vervelende vent

=== M ===
Maak af: hou op!
Maffen: slapen
Mafkees: zacht scheldwoord dat hard aankomt, net als pannenkoek
Majem, majim: gracht, water, regen
Makke: gebrek, last, tegenslag
Makkie: simpel klusje, een zekerheidje
Maleier: erg dronken
Malen: ergens constant mee bezig zijn, niet kunnen stoppen met nadenken (piekeren)
Mallemoer 01: kapot (VOC tijd, moer die doordraait)
Mallemoer 02: rot op (loop naar je malle moer, je gekke moeder)
Maloochem 01: gek, malloot
Maloochem 02: engel (Hebreeuws)
Mannetje: iemand die zich laat gelden, een leider (maar soms ook gekscherend bedoeld)
Matjo: beste vriend
Matsen: regelen, ik maak het goed met je, je krijgt het goedkoper
Matten: vechten
Mazzel 01, mazzeltof: geluk hebben
Mazzel 02: gedag zeggen ('de mazzel!; als iemand weg gaat)
Medine: provincie (Mokum en de medine)
Meier: 100 gulden
Melogem (als een...): hard, flink aanpakken (van 'dat is een flinke klus) nieuwmarkt- tot waterloopleinbuurt)
Memmen: borsten
Mengelmoes: ratjetoe, allegaartje (van alles in een pan omroeren)
Merode: ellende, armoede
Mesjogge, mesjokke: krankzinnig, gek
Meug: zin, lust (tegen heug en meug)
Meuren: stinken
Mierenneuker: letten op kleinigheden
Miesjgasser: etter, nare man
Mik: maag
Mikmak: rommel, mengelmoes ('de hele mikmak', negatieve klank)
Mishpoge (misjpoge) 01 (uit het Hebreeuws): familie (dank John)
Mishpoge (misjpoge) 02: iedereen, een bepaalde groep
Mishpoge (misjpoge) 03 (Bargoens): zaak, handel
Misjmacher, miesmacher (beiden ook met dubbel 'g'): gluiperd
Moeren: stuk maken, slopen
Mokkel: lekker wijf (sorry dames)
Mokum 01: stad
Mokum 02: Amsterdam
Molm: geld (zeer oud, bargoens, 'geld is smerig, vermolmd')
Mom: het een zeggen en het ander bedoelen ('onder het mom van' dank Tamara)
Mombakkes: vermomming, masker (aanduiding voor een onbetrouwbaar persoon)
Moos: geld
Mop 01: geld
Mop 02: zwabber om de grond mee te dweilen
Mop 03: grap
Mop 04: meissie
Mores: gebruiken binnen een groep, beroep of vereniging ('ik zal hem eens eventjes mores leren')
Mot: ruzie (mot met iemand hebben)
Motje (moetje): een gedwongen huwelijk omdat er een baby op komst is (dank Hans)
Mud: 100 gulden
Munten: geld

=== N ===
Naatje (ook wel 'naatje met de pet'): waardeloos
Nakkes: niets
Nassen, nasjen: eten
Nassie: korte relatie (max. 24 uur)
Negervingers: corned beef
Neppen: belazeren, 'appels voor citroenen verkopen'
Nest 01: bed ('ga naar je nest')
Nest 02: familie (uit een goed nest komen)
Neut: borrel
Nicht: homo
Nieges, niegus: pech, ongeluk
Niessie, niesse: jong, leuk meisje (meervouw: niesses)
Nokken: ophouden (met vervelend doen), niet hetzelfde als afnokken
Nop, noppes: (voor) niets
Nor: gevangenis
Nozem: vlotte jongen

=== O ===
Oetekwa: enge man waar kinderen heel bang voor zijn (nieuwmarkt- tot waterloopleinbuurt)
Oetsen 01: bang maken
Oetsen 02: bedriegen of op stang jagen
Ome Jan: lommerd, bank van lening
Onnozel: sukkelig, naïef
Oostenrijker: meevaller
Ootje 01: in de maling nemen (in het ootje nemen)
Ootje 02: grootmoeder
Opfokken: op de kast jagen
Opkalefateren: mooi (er) maken, verbloemen wat iets werkelijk is
Oplawaai: klap geven
Opnaaien: iemand aanzetten iets te doen wat hij eigenlijk niet wil of kan
Opoe 01: oma
Opoe 02: ongesteld zijn
Oprotten: wegwezen, ga weg!
Optiefen, optyfen: wegwezen, sodemieter op
Oud lijk: oude vrouw, maar niet zo vleiden bedoelt (dank Hans)
Opzouten 01: hou ermee op
Opzouten 02: wegwezen
Ouwehoeren: slappe verhalen ophangen
Ouwenelen: kletsen (net als beppen)

=== P ===
Paaien: tevreden stemmen met loze woorden of beloftes, 'schone schijn'
Pages, pagus: als de dood ergens voor zijn
Palen: geslachtsgemeenschap (dank Yvonne)
Pan: gezicht (dat is ook geen pan, houd je pan)
Panisch: grote angst, schrik
Patjepeeër: poenerig type, patser (heeft meestal minder dan hij doet voorkomen)
Patser: poenerig type, dik doen (kan iemand zijn die wel heeft wat hij zegt dat hij heeft)
Peer: vent (een toffe peer is een geweldige vent)
Pegels: geld
Penarie: narigheid, in de zorgen zitten, benarde toestand
Penose, penoze 01: onderwereld (bargoens)
Penose, penoze 02: onderhoud (Jiddisch)
Peren: wegwezen, weggaan
Pet: verzamelnaam voor corrupte politiemensen
Petoet: gevangenis
Pezen 01: hard werken
Pezen 02: prostitueren, de hoer spelen (peeskamertje)
Piek: een gulden
Pieneut, pineut: de klos
Piepeltje: sukkel
Pieremegoggel, een half gezonken of vergaan bootje
Pierement: straatorgel, draaiorgel
Pierewaaien: pret maken, fuiven, uitgaan, 'aan de zwier'
Pieren: draaien
Pikketanesie: jenever
Pikkie: onervaren ergens in zijn 'hij is nog zo'n pikkie'
Pingelen: afdingen, iets van de prijs afhalen
Pisnicht: vieze homo maar meer gebruikt als scheldwoord, net als 'stoephoer'
Plaatje: mooi meisje
Platzak: geen geld meer hebben, hoeft niet persé failliet te zijn
Plebs: armoedzaaiers, lager volk
Plee: toilet
Pleite 01: weg
Pleite 02: overleden
Pleite 03: failliet
Pleiterik: maken dat je wegkomt, 'de pleiterik maken'
Plempen: gooien (vaak in combinatie met water, 'plemp het maar in de majem')
Pleur: koffie
Pleur op: rot op
Pleuren: smijten, gooien
Ploeteren: hard werken
Poeha: ophef, drukte
Poen: geld
Poespas: veel drukte om niets, een hoop gedoe (eigenlijk: stampot met rijst)
Poet: opbrengst van een criminele deal (diefstal, oplichting)
Poffertjesporum: uitgestreken smoelwerk (gebruikt tegen iemand die doet alsof hij van niets weet)
Ponem, porem of porum (import verbastering): smoel, gezicht
Pooier: souteneur 'beschermheer' van een prostituee
Pop: geld ('honderd pop', dank Jan)
Poppen: dood schieten:
Porren: wakker schudden (vroeger iemand die langs de deuren ging om mensen te wekken)
Pot: lesbiënne
Prak, prakkie: warm eten
Prakkiseren, prakkezeren: nadenken
Prammen: borsten
Prent 01: bekeuring, nog vaak gebruikt
Prent 02: bankbiljet, nauwelijks nog gebruikt
Prinsemarij: de politie

=== Q ===
Quivive, qui vive: hoede (op je ... zijn, maar ook kwievieven)
Quasi: zogenaamd, het zal wel
Quatsch (zie ook kwats): onzin, kletspraat

=== R ===
Raap: gezicht ('recht voor zijn raap')
Rambam: wordt gebruikt in combinatie met een flinke inspanning, 'ik fiets me het rambam' (zelfde als schompus)
Rampetampen, rampestampen: geslachtsgemeenschap
Rapalje: gajes, gemeen volk, gepeupel
Ratjetoe: komt van het Franse Ratatouille (Franse armen die in de Jordaan gingen wonen)
Ratsmodee: duivel, bliksem (naar de verdommenis gaan)
Raudouwer: doordrammer
Rausjen: ergens snel doorheen gaan (als met onvoorzichtig bedoeld)
Reetkever: homo
Recht op en neer: jonge borrel (dank Nel)
Reuring 01: opschudding, gedoe (negatieve klank)
Reuring 02: bedrijvigheid, leven in de brouwerij (positieve klank)
Rijksdaalder: twee gulden vijftig
Ritselaar: iemand die van alles voor elkaar kan krijgen
Ritselen: regelen, scharrelen
Roerom: drukte, stampij, poespas
Roes 01: slaperig gevoel (na een joint of een avondje stappen)
Roes 02: in staat van euforie verkeren (na iets geweldigs als een overwinning of de loterij winnen)
Roggel: spuug
Rommelen: de echte staat van iets proberen te verdoezelen (kan ook in een relatie voorkomen)
Rosse buurt: de walletjes (zie aldaar)
Rooie, rooitje: 1.000 gulden
Rossen: slaan
Rotzooien 01: met een jongen of meisje scharrelen
Rotzooien 02: rommelen met de waarheid, de echte staat van iets proberen te verdoezelen
Rug (ook rooie rug): 1.000 gulden
Rus: politie in burger

=== S ===
Saffie: sigaretje
Sakkerloot, sapperloot: uitroep van verbazing (herkomst onduidelijk)
Sam sam: samen afrekenen, eerlijk delen
Sappelen: hard werken voor een paar centen
Sara, sarah: vrouw die 50 wordt
Sarren: opnaaien
Schaften 01: eten
Schaften 02: niets meet te schaften: niet mee te maken
Scharminkel: mager dier of mens, vel over been
Scharrel: korte, losse relatie
Scharrelen 01: beetje rotzooien met een leuke jongen of meisje
Scharrelen 02: bij elkaar harken (ritselen)
Scheet en drie knikkers: koopje, bijna voor niets
Scheur 01: mond
Scheur 02: vrouwelijk geslachtsdeel
Schijntje: bijna niets
Schijthuis 01: bangerd
Schijthuis 02: toilet
Schijtleier: bangerd
Schijtluis: bangerd
Schlemiel, sjlemiel: arme sukkel (vaak van tijdelijke aard)
Schluss: het is wel goed zo, basta
Schmuck 01: juwelen, sieraden (niet al te duur spul)
Schmuck 02: aankleding, versierselen
Schmuck 03 (ook: sjmuk): onzin, roddels (nieuws voor sommigen)
Schnabbel, snabbel: klusje, snelle verdienste
Schompes, schompus: flinke inspanning zoals keihard werken maar ook 'het schompus zweten' (net als rambam)
Schore: handel, goederen (dank marco)
Schorem: straattuig (wat ouder)
Schorremorrie: straatschoffies (wat jonger)
Schwung (zelfde als zwang): iets wordt bekend, het krijgt aandacht, populariteit
Seisjeslijmer, sijsjeslijmer, sijsieslijmer: meeprater, saai figuur zonder ruggengraat
Sjacheraar: beunhaas, rommelaar, handelaar in rommel
Sjanker: verbastering van kanker
Sjink: chinees
Sjoege 01: kennis van iets hebben, 'hij heeft er weet van'
Sjoege 02: leven (hij geeft geen sjoege, kortom 'hij is dood')
Sjoege 03: reactie (hij doet alsof zijn neus bloed)
Sjoemelen: beduvelen, misleiden
Sjofel: armoedig
Slappe was: goed bij geld zitten
Slijmerd: hielenlikker, meeprater
Slingeren: iemand iets geven wat hij eigenlijk niet wil hebben
Sloeber: arme sukkel (van wat minder tijdelijke aard dan schlemiel)
Slons: sjofel gekleed meisje (vroeger een kaars met papier er omheen als simpele lamp)
Smeren: snel weggaan
Smeris: politieagent, eigenlijk bewaker (Joods)
Smiezen: ogen (in de smiezen hebben: in de gaten hebben/ houden)
Smoel 01: aangezicht, 'Amsterdam heeft smoel' (positieve lading).
Smoel 02 (smoelwerk): hoofd (negatieve bijklank)
Smoeltje: lekker bekkie
Smoes: verzinsel, leugentje, roddel
Smoezen: roddelen
Smous 01: scheldnaam tegen Joden
Smous 02: dief
Smurfen (-politie): stadstoezicht
Snaaien 01: snoepen
Snaaien 02: stelen
Snor: politieagent
Snorder: taxi zonder vergunning
Snorren: heimelijk (stiekem) iets doen wat eigenlijk niet mag, zo onopvallend mogelijk (vandaar 'snor')
Sodemieter 01: oprotten (sodemieter op)
Sodemieter 02: pak slaag (pak op je sodemieter)
Soeteneur: pooier, 'beschermheer' van een prostituee
Softie: iemand die over zich laat lopen
Sores: problemen
Spatsies: drukte maken, ophef veroorzaken maar ook: kapsies, zie aldaar
Sou: 1 cent
Spekkie: makkie, echt iets voor hem ('spekkie naar zijn bekkie')
Spekkoper: mazzelaar, goede zaken doen
Spie: 1 cent
Splinter: drol, 'even een splinter uit mijn reet halen'
Splitsen: toestoppen, meestal tegen iemands' wil in ('in de maag gesplitst')
Stampij: drukte, bombarie
Standje: vermaning, terechtwijzing
Stangen: opnaaien, vervelend doen, iemand op de kast jagen
Stapelmesjogge: knettergek
Stash: voorraad (vaak in verband met hash, de voorraad die een coffeeshop heeft)
Stennes (stennis): rotzooi schoppen
Sterfopstraatworst: cervelaatworst
Stiekem, stiekum 01: geniepig, dingen achterhouden
Stiekem, stiekum 02: stil, zwijgzaam (hebreeuws)
Stieken: toestoppen (dieventaal)
Stik de moord: sterf
Stille: agent in burger
Stinkerd 01: iemand die een beetje gluiperig doet
Stinkerd 02: iemand die in een kerk begraven is (vroeger vaak de rijken vandaar: 'rijke stinkerd')
Stoephoer: straatprostituee maar meer gebruikt als erg scheldwoord, net als 'pisnicht'
Stoepier: iemand die voor de deur van zijn winkel klanten naar binnen probeert te praten
Stoot 01: lekkere meid
Stoot 02: klus (bargoens)
Straatmadelief: vrouw van lichte zeden die haar geld op straat verdient
Strijkplank: vrouw zonder borsten
Struinen: slenteren, op zoek naar iets (op de markt bijvoorbeeld), zelfde als afstruinen
Stuipen: angstig
Sujet: individu, persoon (vaak met een negatieve klank)

=== T ===
Taaie 01: borreltje
Taaie 02: oma
Taart 01: onbehouwen vrouw
Taart 02: achterwerk van een vrouw
Tabak: genoeg
Taddebak: viezerik (kan voor een man of een vrouw gelden)
Taddik: vieze vrouw (wordt voor mannen niet gebruikt)
Takke: waardeloos
Takkewijf, takkenwijf: heel vervelende vrouw, slecht persoon, 'takke' legt extra nadruk op het toch al negatieve 'wijf' Takken: vingers
Tasseknipper, tassenknipper 01: oplichter, wordt vaak van politici gezegd, verrijken over de rug van anderen
Tasseknipper, tassenknipper 02: linkmiechel, gierigaard, uitgekookt (vandaar de link met politici waarschijnlijk)
Temeie, temeier: prostituee
Tengels: vingers
Tibbes: tieten in ontwikkeling
Tierelier 01: soepel
Tierelier 02: slap ('dronken als een tierelier', doelend op hoe iemand heen en weer zwabbert)
Tiet: slappeling, laffe kerel
Tillen: oplichten, belazeren
Tinnef: troep, slechte handel
Tippelen: straatprostitutie
Tof: gaaf, geweldig (een toffe peer is een geweldige vent)
Togus: achterwerk
Torpedo: drol
Totebel 01: vierkant visnet
Totebel 02: ordinaire vrouw, slonzig type
Treive 01: onrein, niet kosjer
Treive 02: fout in de oorlog (dank Jacques)
Treive 03: foute boel, over handel (die handel is treive, dank Jacques)
Troel: scharrel (zit een ietwat negatieve klank aan)
Tronie: gezicht (meestal met een negatieve klank 'boeventronie')
Trien: onbehouwen meid, boers type
Trut 01: vrouwelijk geslachtsdeel
Trut 02: domme vrouw
Tuut: politie (hoewel meer gebruikt in Utrecht)

=== U ===
Uil: beetje dommige jongen, eerder miskend (vroeger een weesjongen)
Uilepis: plat biertje
Uilezeik: plat, slecht biertje
Uitgenast, uitgenascht: uitgekookt
Uitzuiger: extreem profiteren van anderen
Utrechter, utrechtenaar (eerste meer dan tweede): homo (1731, de Utrechtse homoseksuelenaffaire)

=== V ===
Veiling, feiling: voor de gek houden, vervangend woord voor 'maling'
Verdoezelen: iets achterhouden
Verdonkeremanen: verduisteren, 'achterover drukken'
Vergaarbak: een grote bak ellende, rotzooitje
Vernagelen, vernachelen: stuk maken, letterlijk en figuurlijk gebuikt
Verpatsen: verkopen, vaak zit er een luchtje aan
Verschut 01: te schande gezet, afgezeken worden (komt van voor schut)
Verschut 02: betrapt op een misdrijf (komt van verschutten)
Verschut 03: in de gevangenis zitten
Verschutten: arresteren
Versjteren, verstieren: verzieken
Vinkentering: ernstige ziekte toewensen
Viswijf: vrouw die veel en/ of hard praat (of beiden)
Vliegende ratten: duiven (op de Dam)
Voor de kat z'n kut: iets voor niets hebben gedaan
Vozen: met een meisje/ jongen vrijen (zonder echt sex te hebben)
Vreetmuur: automatiek
Vreetschuur: restaurant (wat minder fleiend bedoelt)
Vreten: eten
Vretensbak: mond (met dank aan ome Willem uit de Jordaan, 1972, zie ook de videopagina)
Vrijer: vriendje, 'ze heeft een vrijer'

=== W ===
Waffel: mond
Walletjes: hoerenbuurt rondom de Oude Kerk
Wammes 01: kleding of schoenen
Wammes 02: gezicht (klap op zijn wammes)
Waterverf: niets waard, mindere kwaliteit dan voorgesteld werd
Watje: iemand die over zich laat lopen
Wegtrekker: dood gaan
Wiggie: jong meisje, ietwat onnozel, naïef
Wout: politieman (hoewel meer gebruikt in Den Haag
Wijffie: vrouw

=== X ===
Xantippe: heks (verbloemende term voor iemand die je veracht)
Xero: niets

=== Y ===
Yoghurt drinken: hij drinkt geen bier en hij drinkt geen jenever

=== Z ===
Zalven: makkelijk maken, iemand inpakken
Zalfie: makkie, eenvoudig klusje
Zaniken: zeuren, doordrammen
Zat: dronken
Zeikfluit: zeurende man
Zeikwijf: zeurende vrouw
Zelfkant: boven de wet staan (denkt men dan)
Zeurgestie: suggestie, voorstel, waarbij je zelf al aangeeft dat het eigenlijk om te zeuren (zeiken) is
Zeperd: pech, verlies
Zijkstraal: krachtterm, iemand echt niet pruimen
Zootje (zooitje, komt van rotzooi): bende (dank Hans)
Zuigen: etteren
Zwang (zelfde als schwung): iets wordt bekend, het krijgt aandacht, populariteit
Zwijnen: geluk hebben

Het Amsterdams is geen straattaal. Straattaal is namelijk een mengtaal die mensen van verschillende culturele en sociale achtergronden in het dagelijks leven spreken op straat. Dezelfde groepssamenstelling in een andere stad kan dezelfde straattaal hebben maar ook een geheel andere. De straattaal bestaat dus niet, het Amsterdams wel.
Een Amsterdammer in Zwolle praat niet anders Amsterdams dan een Amsterdammer in de Pijp.

De peuterwoordenlijst kun je downloaden: HIER

'Slang' is weer iets anders, dat zijn woorden en uitdrukkingen om een mening sterk te accentueren. Veel slang komt uit achterstandswijken in de Verenigde Staten.

'Vakjargon' bevat woorden die te maken hebben met een bepaald beroep, net als met bargoens is dit om het voor buitenstaanders moeilijker te maken een gesprek te volgen.

'Bargoens' is de taal van de onderwereld. Veel Amsterdamse woorden zijn ingeburgerd in de Nederlandse taal terwijl ze afkomstig zijn uit het Jiddisch zoals dat door zigeuners wordt gesproken, die woorden worden vaak geassocieerd met 'onderwereldtaal' omdat ze daar veel worden gebruikt maar in feite klopt dat dus niet helemaal.

Leuk weetje. Het bargoens werd gebruikt om met elkaar te communiceren zonder dat de politie begreep waar het over ging. Maar de politie was ook niet gek, die hadden woordenlijsten die iedere agent die in het centrum werkte moest leren.
Maar dat wisten de boeven ook weer en verzinden daarom steeds weer nieuwe woorden. Zo zijn er wel 80 woorden voor politieagent.

'Jiddisch' is iets anders dan Joods. Het Jiddisch werd voornamelijk in Duitsland gesproken, door de onderdrukking van de Joden verspreidde het Jiddisch zich door de jaren heen. Er zijn veel meer Joden die Joods (= Hebreeuws of Ivriet) spreken dan Jiddisch (rond de vier miljoen wereldwijd.)

'Koeterwaals' is geen taal, ik noem het hier toch om compleet te zijn. Het is een Germaans woord dat gebruikt wordt om aan te geven dat bepaald taalgebruik in een dermate beperkte kring voorkomt dat het voor verreweg de meeste mensen niet te begrijpen is.

'Visserslatijn' slaat op de aard van een verhaal, vaak overdreven. De hengelaar die een grote vis gevangen heeft, wat in werkelijkheid een spierinkie was.

Ander leuk weetje. In Zuid-Afrika wordt Zuidafrikaans (da's logisch) gesproken wat een dochtertaal is van het Nederlands.
Maar er is meer over te zeggen, daar leent deze site zich niet voor maar voor een zeer uitgebreide lijst met woorden kijk je HIER.

Tenslotte kennen we in Nederland nog het ABN. Het Algemeen Beschaafd Nederlands wordt in België en Nederland gesproken en geldt als de standaardtaal.
De taal verrijkt zich nog steeds door de invloed van migranten, de media en het Internet.

Amsterdammers zeggen dat ABN voor 'Algemeen Bekakt Nederlands' staat en dat er alleen in Amsterdam normaal Nederlands wordt gesproken.

Nieuw Amsterdam woord
Misschien leuk om nu eens niet een bestaand woord tot meest populaire Amsterdamse woord van het jaar te maken maar (ook) een geheel nieuw woord.

Joodse spelling

Als je Hebreeuwse of Jiddische woorden wilde gebruiken dan maakte het voor de uitspraak niet uit welke letters je gebruikte, dat spreekt voor zich, het verschil tussen de ene en de andere krant, schrijver of uitgever bleek uit hoe je het woord opschreef.

Maar het gebruiken van niet authentiek Nederlandse woorden was oom popualir onder niet-Joodse schrijvers, die hadden al helemaal geen idee wat de schrijfwijze was want die kenden de meeste woorden alleen van 'horen'.

Lees meer over de spelling van Joodse woorden...